Geschiedenis wijn Nederlandse wijn dutch wine

Wijngeschiedenis

De wijngeschiedenis is echt iets voor historische speurneuzen. Naar heel veel dingen kunnen we alleen maar gissen. Waar stond de eerste wijngaard? We vermoeden ergens in Georgië, maar zeker weten doen we het niet. Toch is er zoveel over de wijngeschiedenis te vertellen dat we hier alleen fragmenten beschrijven. Noem het maar de markeringspunten in de wijngeschiedenis.

Wijndruiven groeien aan een druivelaar of wijnstok. Dat is een grillige klimplant. Hij komt oorspronkelijk uit het Midden-Oosten. Daar groeiden wilde wijnstokken. Archeologen hebben de oudste pitten van geteelde wijndruiven in Georgië gevonden. Deze pitten zijn 7000 tot 9000 jaar oud. Het begin van de bijbel vertelt het verhaal van Noach. Hij liep na de grote vloed met zijn ark vast op de berg Ararat. Dat is de hoogste top van het Armeens Plateau. Nadat de dieren de ark verlaten hadden, legde hij een wijngaard aan (Genesis 9: 20-27). Dit oerverhaal sluit aan bij de veronderstelling dat de wijngeschiedenis ten zuiden van de Kaukasus is begonnen.

Teken van beschaving

Wijn was in de antieke wereld een teken van beschaving. Het hoorde er voor de Babyloniërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen helemaal bij. Het gaf hen status. Daar komt bij dat wijn ook een religieuze betekenis had. Die twee dingen zorgden ervoor dat wijn nu ook onlosmakelijk bij onze westerse beschaving hoort. Evenals de Babyloniërs waagden ook de Egyptenaren zich aan het maken van wijn. Het productieproces legden ze tot in detail vast in muurschilderingen. Noem het maar een cursus wijn maken in strip. Het is fascinerend om te zien dat de Egyptenaren 3000 tot 5000 jaar geleden de techniek van het wijn maken al zo goed in de vingers hadden. “De volken rondom de Middellandse Zee ontstegen aan de barbarij toen ze leerden olijven en wijnstokken te cultiveren,” schreef een Griekse historicus pakweg 500 jaar voor Christus.

Van Griekenland naar Gallië

Athene was in die tijd het culturele centrum van de beschaafde wereld. Olie en wijn waren de grote motoren van de handel. De Grieken exporteerden de wijnbouw naar Frankrijk. Daarover vertelde de Romeinse schrijver Justinus: “De Galliërs leerden wat beschaving is, namelijk het cultiveren van wijnstokken en olijven.” Hij stelde vast dat zij in rap tempo bekwame wijnmakers werden. “Het leek wel of Gallië een deel van Griekenland was geworden.” De Grieken hadden hoge verwachtingen van de wijn: “Het bevochtigt en tempert de geest, wiegt de zorgen van het brein tot kalmte, wakkert onze vreugden aan en is olie voor de wegstervende levenslam.” Dat zijn woorden van Socrates. Hij voegde er veelzeggend aan toe: “Als we het met mate drinken. En met kleine slokjes…”.

Bacchus de verleider

De wijnstok veroverde gaandeweg het hele gebied rondom de Middellandse Zee. In eerste instantie liepen de Romeinen niet echt warm voor een goed glas wijn. De mannen hadden wel iets anders aan hun hoofd. Ze waren bezig met hun veldslagen. Intussen probeerde Bacchus hun slaven en vrouwen te verleiden. Dat zagen de mannen niet zitten. Ze verboden hun vrouwen ook maar een druppel wijn te drinken.  Een heterdaadje kon hen zelfs de kop kosten. Vanaf 200  jaar voor Christus veranderde het  menu van de Romeinen. Het bord pap werd ingeruild voor dagelijks brood. Dat zorgde voor meer vraag naar wijn. De wijnbouw werd een lucratieve bezigheid. De handel beleefde topjaren. In de veroverde gebieden werden overal wijngaarden aangeplant om de soldaten van wijn te voorzien.

Veteranen in wijnbouw

Frankrijk speelt een hoofdrol in de wijngeschiedenis. Maar deskundigen zijn het er niet over eens wanneer de wijn er zijn intrede deed. Het begon waarschijnlijk met een kolonie van de Romeinse bezetters ergens in de buurt van Narbonne. Daar vestigden zich veteranen uit het leger van de keizer. Sommigen waren de zonen van Italiaanse wijnbouwers. Zij hebben de hellingen in de omgeving van Narbonne beplant met wijnstokken. Dat gaf de regio een enorme economische impuls. Gallia Narbonensis beheerste de handel in het zuiden van Frankrijk. Dat gebied kennen we nu als Languedoc-Roussillon.

Geloof en wijn

Het einde van het Romeinse Rijk was meteen ook het einde van de wijncultuur. Germanen en Moren vernietigden de wijngaarden die hun vijanden hadden aangeplant.  Maar de wereldwijde opkomst van het christendom zorgde voor een nieuw hoofdstuk in de wijngeschiedenis.  De kerk garandeerde het voortbestaan van de wijnbouw. Fundamentele geloofswaarden  in de christelijke traditie werden vergeleken met de wijnbouw. Jezus zei tegen zijn leerlingen: “Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt, snijdt Hij weg. En iedere rank die wel vrucht draagt, snoeit Hij bij, opdat hij meer vruchten draagt” (Johannes 15:  2).

Drinken in de hemel

En bij het laatste avondmaal voor zijn kruisdood liet Jezus een beker met wijn rondgaan in de kring met leerlingen:  “Dit is mijn bloed, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. Ik zeg jullie: vanaf vandaag zal Ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat Ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader” (Matteüs 26: 27-29). Dankzij de kerk werden er weer nieuwe wijngaarden aangelegd. Meestal in de buurt van kloosters en kathedralen. Al was het alleen maar om de eucharistie te vieren. De wijnhandel kwam weer op gang.

Bourgogne en Rijn

Eeuwen later verlegde Karel de Grote het centrum van de macht van het zuiden naar het noorden. Het draaide niet meer om de residentie van de paus in Rome, maar om het grote paleis van de keizer in Aken. Het verhaal gaat dat Karel opdracht gaf voor wijnbouw in Bourgogne en langs de Rijn. In eerste instantie verbouwde men in Bourgogne alleen rode wijn. Het sprookje wil ons doen geloven dat Karel er op aandrong om in het land van de pinot noir óók witte druiven aan te planten. De rode wijn zorgde namelijk voor akelige vlekken op zijn witte baard. Een belangrijke verdienste van keizer Karel is dat hij strenge hygiënewetten uitvaardigde voor de productie van wijn.

Economische groei

Tussen de 5e en de 10e eeuw was het betrekkelijk rustig in Europa. De handel trok aan. Wijn was een belangrijk ruilmiddel. Het wemelde van de piraten op de westerse wateren. Toch voeren er steeds meer handelsschepen van Bordeaux naar Groot-Brittannië of nog verder naar het noorden. Zelfs op de meest afgelegen plaatsen was er wijn nodig voor de viering van de eucharistie. De grote en zware wijnvaten konden alleen per schip worden vervoerd. Honderden schepen vanuit het zuiden meerden aan in de Hanzesteden. De wijnhandel was goed voor een forse economische groei .

Wijn en wol

In de Middeleeuwen waren wijn en wol de twee luxeproducten van Noord-Europa. Een wijndorp verdiende een speciale status. Het kreeg een muur, zoals de stad. En het lag meestal aan de belangrijke doorgangsweg langs een rivier. Op het dorpspleintje stond naast het gemeentehuis ook de gezamenlijke kelder van de lokale wijncoöperatie. Er is niet veel fantasie voor nodig om je daar iets bij voor te stellen. Langs de Moezel en de Rijn liggen nog steeds dorpen en stadjes waar de wijngeschiedenis weer tot leven komt. Bernkastel aan de Moezel en Riquewihr in de Elzas zijn daar mooie voorbeelden van.

Geen ordinaire wijnmakers

Aan het begin van de 12e eeuw werd een klein klooster in Cîteaux eigenaar van een paar stukjes grond in Bourgogne. De wijnbouw in de regio stond er beroerd voor. Maar de abt geloofde in de veranderkracht van zijn cistenciënzers. Hij wilde méér grond en klopte bij andere kloosters aan voor financiële steun. Dat lukte. De cistenciënzers waren geen ordinaire wijnmakers. Ze wilden wijngeschiedenis schrijven. Ze experimenteerden met het beheer van de wijngaarden.  En ze proefden de wijnen. Eindeloos. Hun bevindingen werden allemaal vastgelegd.  De verbeterde wijnproductie werd een succes. En de kerk werd rijker en rijker. Om diefstal te voorkomen bouwden ze muren om de wijngaarden. Een aantal muren staat er nog steeds. Dat zie je terug in de namen van wijngaarden, zoals Clos Vougeot en Clos des Pucelles.

Nederlanders in wijnhandel

In de 17e eeuw werden de Nederlanders belangrijke spelers in de wijnhandel. In de 16e eeuw stelden de Nederlanden niet veel voor. Ze waren bezet gebied, een onbetekenende buitenpost van het Spaanse imperium.  Onder leiding van de Oranjes keerde het tij. In 1650 hadden de Nederlanden een grotere koopvaardijvloot dan de wereld ooit had gezien. Een Britse ambassadeur zei daarvan: “Nooit eerder was er een natie die zoveel vervoerde en zo weinig consumeerde.” Van alle koopwaar was er maar één artikel dat in flinke hoeveelheden door de handelaars zelf werd genuttigd: wijn. De Nederlanders waren verzot op zoete witte wijn.

Zoete wijn

De koopvaarders uit de Nederlanden haalden hun wijn overal vandaan. Zelfs uit Spanje, het land waar ze mee in oorlog waren. Hun proevers werden gesignaleerd in de buurt van het paleis van de koning. In Aragón. Om aan de grote vraag te kunnen voldoen, meerden de koopvaarders ook aan in Bordeaux.  Ze kochten enorme hoeveelheden witte wijn in. Hoe zoeter hoe beter. De wijnboeren in de regio speelden daar op in. Ze stapten massaal over op de teelt van witte druiven. Niet alleen in Bergerac, maar ook in de regio Bordeaux: Sauternes. De smaak van de Hollanders had grote invloed op de wijnbouw aan de Franse westkust. Rode wijnen kochten de koopvaarders ergens anders. In Cahors. Die was donker en sterk. En dat beviel hen wel.

Hollanders ontdekken Port

In 1650 keerde het tij. In het spoor van de Engelsen pikten de Fransen het scheepvaartmonopolie van de Nederlanden niet langer. De Franse havens gingen op slot. Maar de Hollanders waren niet voor één gat te vangen. Ze gingen shoppen in Spanje en Portugal. Dat zorgde voor groot enthousiasme bij de wijnproducenten in Jerez en Málaga. Ergens rond 1675 leidde de speurtocht van de Hollanders zelfs tot een nieuw hoofdstuk in de wijngeschiedenis. Ze kochten in de havenstad Porto een krachtige rode wijn uit de heuvels van de Douro. Dat was het begin van de successtory van de Port.

Wijn bij het water

Tot in de 17e eeuw dronk iedereen bier en wijn. Het waren alledaagse dranken. Water was namelijk smerig en niet te drinken. Een beetje wijn bij het water smaakte al veel beter. Aan het eind van de 17e eeuw kreeg de elite in Europa behoefte aan verfijnde wijnen. Arnaud de Pontac speelde daar op in. Hij was stadsbestuurder van Bordeaux en eigenaar van Chateau Haut-Brion. Hij zette de puntjes op de i in het productieproces van zijn wijnen. De Engelsen waren al gek op de ‘gewone’ wijnen uit Bordeaux en gingen toen helemaal uit hun bol. Ze bleken bereid om drie keer zoveel te betalen voor de verfijnde wijnen van De Pontac. De nadruk op kwaliteit in plaats van kwantiteit bleek commercieel heel interessant. Andere wijnhuizen volgden zijn voorbeeld.   

Paraplumerk

De wijnconsumptie nam in razend tempo toe. Om te beginnen in Parijs. De wijnen uit de omgeving van Auxerre en Orléans werden in de etalage gezet. En tegen het einde van de 18e eeuw kwam daar ook de Beaujolais bij. Het was nog steeds niet genoeg om aan de vraag uit de hoofdstad en uit Engeland te voldoen. De wijnhandelaren namen een verrassend besluit. Ze kozen niet voor de aankoop van extra hectares. Maar ze besloten om wijndruiven in te kopen. Een nieuwe stap in de wijngeschiedenis. De druiven van de wijnboertjes uit de regio werden op de markt gebracht onder een ‘paraplumerk’. En de wijnboertjes werden druivenboeren.

De minister van Napoleon

De Franse Revolutie en het bewind van Napoleon zorgden voor grote veranderingen in de wijnwereld. De bezittingen van kerken en kloosters werden onteigend. Niet alleen in Frankrijk, maar ook in Duitsland. De wijngaarden kwamen in andere handen. Ze werden verkocht aan degenen die de hoofdprijs konden betalen. Intussen ging het snel bergafwaarts met de reputatie van de Franse wijnen. De minister van binnenlandse zaken trok aan de bel. Het klimaat en de bodem konden de oorzaak niet zijn van de beroerde kwaliteit. Minister Jean-Antone Chaptal wees naar de wijnboeren zelf. Gebruik je boerenverstand! Kies niet voor ordinair sap van matige druiven. Ga voor goede wijn van de beste kwaliteit druiven.  Dat werkte.

Het onzichtbare monster

Tot in de 19e eeuw ging het goed met de wijn. Die eeuw beloofde zelfs de gouden eeuw van de wijngeschiedenis te worden. Maar toen pakten donkere wolken zich samen. Een onzichtbaar monster opende de aanval op de Europese wijnstokken.  Elke wijnstok werd te grazen genomen. Het ene na het andere wijnhuis ging failliet. De phylloxera vastatrix of druifluis, een agressief beest van amper 1 millimeter groot, maakte een abrupt einde aan de Europese wijnbouw.  Maar liefst 2,5 miljoen hectares aan wijngaarden ging verloren. Dit leek het einde van de wijngeschiedenis. De wijnboeren waren wanhopig. Pas 20 jaar later ontdekten ze dat Amerikaanse wijnstokken resistent waren tegen de druifluis. Overal in Europa begonnen wijnboeren met het enten van Europese druivenrassen op Amerikaanse wijnstokken.

De uitdaging

De wijnwereld had een deel van de 20e eeuw nodig om de klap te boven te komen. En toen diende zich een nieuwe uitdaging aan. De Europeanen kozen ervoor om minder en vooral betere wijn te drinken. Tegenover de daling van de verkoop in Europa stond de toenemende vraag vanuit China en de Verenigde Staten. Daar speelden de bekende wijnhuizen op in. Maar ze werden uitgedaagd door concurrenten uit de Nieuwe Wereld. Wijnproducenten uit Noord- en Zuid-Amerika en Oceanië bleken ook kwaliteitswijnen te kunnen maken. Dat was goed nieuws voor de wijndrinkers. Het aanbod aan goede wijnen werd groter en groter. En de wijn was betaalbaar. Producenten die al eerder lage prijzen berekenden overleefden de concurrentiestrijd niet.

Nieuwe wereld

In de Verenigde Staten schoten de wijnbedrijven tussen 1965 en 1975 als paddenstoelen uit de grond. Halverwege de jaren ’80 gingen de Amerikaanse wijnen ook de grens over. Toen de politieke onrust verdween, staken ook Chili en Argentinië hun neus aan het venster. En na de afschaffing van de apartheid in 1994 volgde ook Zuid-Afrika.
De Australische wijnboeren hebben een opmerkelijk talent om innovaties en technieken uit andere landen op te pakken en te verbeteren. Het land is een voorbeeld van de uitdagende aanpak in de Nieuwe Wereld. Nieuw-Zeeland werd in 1986 ontdekt als wijnloand. Toen werd er al meer dan 100 jaar wijn gemaakt.

Dingen die voorbijgaan

De traditionele wijnlanden uit de Oude Wereld moeten oppassen dat ze niet blijven hangen in de dingen die voorbijgaan. Niet alleen vanwege de concurrentie met de Nieuwe Wereld. De opwarming van de aarde is misschien wel de meest dreigende episode in de wijngeschiedenis. De temperatuur en de zeespiegel stijgen. Het wordt op de ene plek warmer en droger en op de andere warmer en natter. Dat heeft ook gevolgen voor de bodem. Daarom moet er bijvoorbeeld in de Bordeaux deels gekozen worden voor andere druivenrassen. Gedateerde en strenge wetgeving maakt dat onmogelijk. In nog zuidelijker gelegen wijngaarden in Italië en Spanje wordt wijnbouw door veranderingen in het klimaat in de toekomst misschien zelfs onmogelijk.