Terroir bodem Nederlandse wijnn dutch wine

Bodem in Nederland

Een geschikt terroir begint met een goed klimaat. Daarna komt de bodem. De wijnstok moet voeding en vocht uit de bodem kunnen halen, maar is verder niet kieskeurig. Hij doet het op bijna alle bodemsoorten. Een natte of extreem droge bodem is minder geschikt.

De bodem is de grond waar je op staat, de bovenste laag van de aarde. Deze laag is 1 tot maximaal 1,5 meter diep. Een bodem is geschikt voor wijnbouw als hij een losse structuur heeft. Hij is dan beter in staat om water af te voeren. Dan moet je denken aan een bodem van kiezel of zand. Een wijnstok houdt niet van natte voeten. In de regel is een bodem met een vaste structuur dus minder geschikt, zoals een kleibodem. Maar er zijn altijd uitzonderingen…

Diepe wortels

Merlot doet het bijvoorbeeld juist goed op een kleibodem. De bodem van Pomerol bestaat uit ijzerhoudende klei. Het is bij uitstek het gebied voor goede wijnen van 100% merlot. Niet voor niets is merlot steeds minder in trek in warme gebieden waar klei en vocht schaars zijn. Dit soort uitzonderingen onderstreept dat sommige wijndruiven in een specifieke bodem beter uit de verf komen. Een slimme wijnboer houdt daar rekening mee.

Arme bodem

Een arme bodem is meestal goed voor een mooie wijn. Te veel voeding in de bodem levert vooral bladgroei op, maar minder rijpe druiven. Een karige bodem stimuleert de ontwikkeling van de wortels. De wijnstok moet een forse inspanning leveren om te overleven. Dat zorgt voor minder blad en betere druiven. Het voordeel van diepe wortels is ook dat de wijnstok beter bestand is tegen extreme weersomstandigheden, zoals extreme droogte of storm.

Humus

De samenstelling van bodems verschilt nogal. Steenachtige bodems zorgen voor een beperkte opname van voeding en vocht. Daardoor rijpen de druiven beter. Het is kletskoek dat je de smaak van graniet of kiezels in de wijn kan proeven. De mineralen lossen namelijk niet op. Die komen echt niet in de druiven terecht. Maar het is wel zo dat de bodem door zijn samenstelling en structuur invloed heeft op de ontwikkeling van druiven.

Drainage

De ideale bodem voor wijnbouw moet een goede drainage hebben. En tegelijk moet hij ook voldoende water vasthouden om droge periodes te overbruggen. Zandbodems hebben een goede drainage, maar houden bijna geen water vast.  Dat minpuntje kan de wijnboer aanpakken door humus toe te voegen. Dat werkt als een spons. Hij kan ook het bodemleven stimuleren. Wormen kunnen bladeren en compost in de bodem brengen. Die verteren tot humus.

Landschappen

In Europa zie je wijngaarden op plaatsen waar andere gewassen het niet zo lekker doen.  Op onvruchtbare grond. Dat is in Nederland anders. De wijnbouw beleeft een revival, maar het land is al ingericht. De bodem is al verdeeld. Er verschijnen op allerlei plaatsen wijngaarden. Ook op plaatsen waar je ze niet meteen verwacht. In alle 12 provincies vind je wijngaarden. In heel verschillende landschappen. En op heel verschillende bodems.

Bodemsoorten

Bodems horen bij het landschap. In Nederland zie je 6 verschillende bodemsoorten die kenmerken zijn voor het landschap:

  • Vaagbodem (duinlandschap)
  • Podzolbodem (zandlandschap)
  • Lössbodem (heuvellandschap)
  • Veenbodem (veenlandschap)
  • Rivierkleibodem (rivierkleilandschap)
  • Zeekleibodem (zeekleilandschap)

Klei en zand

Over de vaagbodem en de veenbodem kunnen we kort zijn. De vaagbodem is nog maar net aan komen waaien. Letterlijk. De bodem in de duinen is nog niet tot ontwikkeling gekomen. Er is dus ook nog geen plantengroei. De veenbodem is de slapste van Nederland. Hij bestaat uit lagen van dode moerasplanten. Deze bodem is te zuur voor de landbouw. De dode moerasplanten werden als turf afgegraven om als brandstof te dienen.

Droogmakerijen

Het grootste deel van Nederland bestaat uit klei- en zandlandschappen. Rivier- en zeekleibodems kom je met name tegen in de provincies Flevoland, Friesland, Groningen, Noord-Holland, Zuid-Holland  en Zeeland. Een belangrijk deel van de zeekleibodems is blootgelegd door oude en nieuwe droogmakerijen, zoals de ‘oude’ Beemster en Haarlemmermeer en de ‘nieuwe’ Flevopolder en Wieringermeer.

Rivierklei

Rivieren treden meestal in het voorjaar en najaar buiten hun oevers. Door smeltwater uit de bergen en door zware regenval. Dan laat het water een bezinksel van klei achter. Elke keer komt er een nieuw laagje klei bij. Bovenop het ‘oude’ bezinksel. De structuur van zeeklei is taai en vast. Het is plakkerig. Daarom laat het weinig water door. Planten kunnen er moeilijk wortelen. Organismen komen er amper doorheen. Zo komt de bodem moeizaam tot ontwikkeling.

Mais en suikerbieten

Planten en organismen krijgen alleen een kans als de rivier een keer overslaat en niet buiten z’n oevers treedt. Dan vormt zich een dunne humuslaag. Op rivierkleibodems verbouwen de boeren snelgroeiende gewassen, zoals mais en suikerbieten. Of gras. Meestal gebruikt de boer rivierkleibodems als weide en hooiland. Deze bodems domineren in het stroomgebied van de grote rivieren en de IJssel.

Zeeklei

Een zeekleibodem bestaat uit het kleinste en lichtste bezinksel dat met rivieren meekomt. Dat blijft niet achter in de uiterwaarden, maar bezinkt pas op zee. In zeeklei kom je mineralen tegen die je bijvoorbeeld tegenkomt in graniet. De structuur van zeeklei lijkt op die van rivierklei. Het is compacter. Maar ook plakkerig. Het water hecht zich aan de kleideeltjes. En dat maakt de klei kneedbaar.

Kalkrijk

Zeeklei is bijzonder vruchtbaar. Er zitten mineralen in die planten gebruiken als voeding. Het  bevat nog minder bodemleven dan rivierklei, maar is door de aanwezigheid van schelpen wel kalkrijker. Buitendijks groeit er zeekraal en lamsoor op zeeklei. Binnendijks verbouwen boeren er aardappelen, bieten, mais en graan op. In alle kustprovincies kom je zeekleibodems tegen. De bodem van de provincie Flevoland bestaat helemaal uit zeeklei.

Podzolbodem

Een podzolbodem bestaat uit 3 lagen. De naam stamt uit het Russisch. Hij betekent zoveel als ‘lijkt op as’. Een verwijzing naar de vaalgrijze kleur van de 2e laag.  Door de eeuwen heen werd de toplaag van dekzand door vallende bladeren aangevuld met humus. De regen sijpelde daar makkelijk doorheen. Humuszuren losten het ijzer op. Daardoor verkleurde het zand en werd de 2e laag vaalgrijs. De opgeloste ijzerdeeltjes en humus ‘landen’ uiteindelijk in de 3e laag. Die kleurde donkerbruin en werd steeds dikker.

Geen akkerbouw

Podzolbodems zijn erg arm. De voedzame bovenlaag is dun. Het is voor planten moeilijk om in de bodem te wortelen. Podzelbodems zijn niet geschikt voor akkerbouw. De grond is snel uitgeput. In gebieden met podzolbodems vind je voornamelijk bosaanplant, heidevelden en andere natuurgebieden.

Lössbodem

Löss is een fijne leem. De deeltjes zijn veel kleiner dan zandkorrels. Door de wind zijn ze samen met humus naar Zuid-Limburg geblazen. Löss moet je niet zien maar voelen. Het bevat weinig zand en voelt daardoor zijdezacht aan. Löss heeft een open structuur. Het neemt water makkelijk op. Kalk en klei en andere deeltjes lossen op en sijpelen met het regenwater naar diepere lagen.

Stuwwallen

In de bovenste laag van de löss kunnen planten gemakkelijk wortelen. Het is ideale landbouwgrond. Ook na een lange, droge periode kan löss langdurig vocht vasthouden. Dat is goed voor de plantengroei. Er word op löss nog steeds akkerbouw bedreven. Maar steeds meer boeren beplanten de zuidelijke hellingen met wijnstokken. Lössbodems kom je tegen in de luwte van de stuwwallen rond Arnhem en Nijmegen, maar vooral in Zuid-Limburg.

Ligging

Het keurige Nederlandse landschap lijkt door mensenhanden gemaakt. Toch is dat niet helemaal waar. Onze bodem heeft zich op een natuurlijke manier gevormd. Nederland is ook geworden wat het is door geweldige oerkrachten. Kijkend naar het landschap kan de wijnboer daar zijn voordeel mee doen. Wat is de beste ligging voor zijn wijngaard?